376
zulke schimpneuzen! Een vuurtje voor de buurt, haar huishouden, haar kerel! —
— Doar heppe se nou op gereze.... hoonde ze.
— Kon ikke dat dronke beest dan alleen manne? .... god sal me krake!.... vloekte woedend Nel. —
Na het onverschillig wegstrompelen van de mannen en wijven, lei er een griezelige stilte in de achterkamer. Alleen Nel was gebleven. Ze had het visch-mes van Stijn met een huiver op den schoorsteen gelegd en de lamp weer in den scheeven hanger gedrukt. Lien, stil en treurig om de mishandeling van die goede tante Neel, veegde de scherven en ingeloopen biet bij. Ze dacht aan haar doode moeder, die ook door haar vader zoo getrapt en geslagen was geworden. Wat een beesten,.... al die dronken zwijnen.... Zie je, dat hoorde je nou nooit van Karei.... Maar, eerlijk moest ze zijn.... van Barend ook niet! — Nel Scheendert was dolblij dat Neel weer zoo klaar uit haar oogen keek, al had ze een gezwollen neus van Stijn's eersten ״hieuw" erbij opge-loopen. Hij zou haar net zoo goed een miskraam kunnen getrapt hebben. Het was nóg goed afgeloopen, redeneerde ze in zichzelf. Neel meende dat haar méér de schrik dan de trap bewusteloos had doen inéénzinken. Hij was met zijn voet uitgegleden tegen de kachelpijp en den kastrand en had toén eerst haar in de lies geraakt.
— 'n Tof schobbertje.... lachte ze weer, terwijl ze onder het lachen stekende pijn in de onderbuik voelde. Nu ze Stijn zag liggen, als een half dood schepsel, met zijn benauwd-ademenden mond op den vuilen vloer, afgemarteld van zenuwen en óver-vermoeienis lijk een beest, voelde ze niet eens meer wrok tegen hem. Na zulk een uitval werd het altijd maanden achtereen goed in Stijn; had hij wroeging, wist hij zichzelf een wancreatuur. Ze dacht nu maar alleen aan haar opgeschrikte kinderen, die nooit zóó erg bang geweest waren