374
in wreedheids-verlangen, sprong na de los-worsteling van zijn schoonzuster, weer op Neel af, die haar noodlot in een soort van gestrafte onderworpenheid afwachtte. Dat bracht het onbewust-heroisch levensgevoel in haar mee. Ze zag nu in Stijn het wraakgiftige zieden; ze zag de stuipige verwrongenheid van zijn bijna onherkenbaar wreed gezicht, in geen trek meer gelijkend op den goedigen, sulligen, schuwen en verlegen Stijn. Er grinnikte een lach op zijn bebloede kaken enbij de scheuren om zijn neus en mond. Vóór ze vatte waar Stijn heen wou, had hij haar al een zóó hevigen trap tegen de buik gegeven, dat ze met een smart-huil, de kamer doorkermend van rauwe pijn, inéénzonk.
Acht mannen en een drom vrouwen sprongen op Stijn toe, die juist zijn mes had getrokken. Nel had Hannesje uit het gewoel geschoven en het schreeuwende kind aan een buur in de armen gestopt. De andere krijtende bende duwde ze de keuken in, onder susse-rijen en beloften dat ze straks wat lekkers zouden krijgen. Toen was ze dadelijk naar Neel gegaan, die ze met azijn-en-water uit haar bewusteloosheid wou opwerken. Tegelijk schreeuwde ze om een dokter. Lien had de brandende lamp uit den hanger gelicht en op den schoorsteen neergezet, nu ze Stijn met hun allen gegrepen en het mes uit zijn handen gewrongen hadden. Het was een wild-belichte worsteltroep van schreeuwende kerels en half huilende vrouwen. Stijn, herculisch, slingerde vijf, zes mannen tegelijk van zich af, maar werd dadelijk wéér vastgegrepen. Hij hijgde, huilde, lachte, spoog.... Zijn bloedend gezicht, overkrast en ingescheurd, was groen-grauw onder den wilden lamp-gloed. Er rochelde een onuitgeleefd wraak-geluid in zijn keel, dat kermen, snikken en lach-huilen tegelijk werd. Hij moest, moést naar Neel, dreigde zijn waanzinnige stem.