373
de oogen gistend van afgetergde kwaadaardigheid, sloeg Neel onverhoed Stijn de tien krom-gezenuwde vingers in het gezicht en kraste over hoofd en oogen, diepe bloed-voren in zijn vel. Zóó hevig was haar aanval dat Stijn wankelde. Hij zag de kinderen achter Neel, meegesleurd aan haar rokken; het gezicht van Daantje, van Koentje, in martelenden angst. Hij voelde geen pijn van haar nagel-inscheuringen. Wild-onaangedaan dacht hij even aan de kunstmest-fabriek,.... en zijn zwoegen op de petroleum-haven. Hij was koud, gevoelloos; hij was ijs, steenkoud.... Hahal wou ze!.... wou ze! Goed! zoo een kiendop! Het bloed sieperde van zijn grauwe wangen neer op zijn rood, uitgescheurd hemd, langs zijn spierhals In rustigen genots-wrok sloeg hij de tierende kinderbende van Neel af.
— En nou, .... sarde het, afgestorven van alle
gevoel en bezinning in hem, —____nou, met Neel, met
Neel alléén.... Hengst d'r kreupel.... morsdaud.... beiter!.... morsdaud....
Hij zag Nel Scheendert niet binnenkomen. Het bloed gulpte in groevetjes over zijn brauwen, langs neus en slapen, zijn borstel-snor in. En terwijl de koude razernij in hem rekende....
— Neil eirst,.... sei____morsdaud, —.... sprong Nel
van achter op Stijn aan, in dolle zenuwkracht zijn armen in één angststuip omklemimend.
— Gooi de deur ope!____Willempie!____Mientje____
Lien!!____gilde ze,.... roep om hulp!----
Haar zenuwstem krijschte akelig en wild. Angstiger gilden de kinderen mee. Toen dromden de buren aan, het winkeltje door, de alkoof in, naar achter. Juist zagen ze dat Nel, ondanks een schrikkelijke krampachtige poging tot vasthouding, Stijn liet los-schieten. Stijn, door het geschreeuw en geraas nog féller opgejaagd