375
gebolde buik nu gedrochtelijk vooruit, zonk ze op het bed, na den eersten gezicht-benemenden slag die haar had doen ineen-krimpen. Kleine Willem was Stijn op den nek gesprongen en priemde hem krij schend van drift en overspannning, de nagels van zijn tengere zenuw-knuistjes den hals in. Ook Lien sprong weer bij, timmerde met een stuk hout er op los, zonder Willem te raken. Maar met één ruk, zijn armpjes half uit het gelid wringend, slingerde hij het koene kereltje, dat vocht voor zijn geranselde moeder, van zijn nek tegen de pooten van Hannesjes stoeltje. En dadelijk daarop dweilde hij Lien over den vloer als een oud karpet.
De buren, alom door Mientjes ontsteltenis opgeschrikt, waagden zich toch niet in huis. Ze kenden Stijn in zijn dronkenschap, de verminkende kracht van zijn knuisten en de uitvallen van zijn drift-lijf, door geen tien man te temmen. Ze durfden er zich nog niet vrij mee moeien, zoolang de herrie heelemaal in het achterhuis bleef hangen. —
Ééntje Neempie gluurde door de winkelruit. Ruig-poot loerde mee. Maar ze hoorden alleen kindergehuil.... Ja, als het nou erger werd, dan.... Maar Mientje was doorgerend naar tante Nel in de Goudsbloemstraat. Die stormde dadelijk mee. Wel wist ze dat Stijn heel gevaarlijk leek in zijn dronkenschap; dat hij zijn visch-mes altijd klaar had, en met zijn ontzettende kracht alles schond wat onder zijn knuisten kwam; maar het kon haar toch geen duit schelen. De heele Jordaan omdruiste eeuwig herrie en gevechten. Doch nu, nu zag ze aan den verwilderden angst in het magere gezichtje van Mientje, dat het heel erg moest zijn. Toen ze instormde, de alkoof door, zag ze juist Neel half verdekt achter de linnenkast, tegen het bedstee'tje opkruipen, naar Stijn toe, terwijl die Lien en Willem afroste en trapte. In een uitzinnige drift-verbijstering,