37i
vreemde, ijzige stramrnigheid van zijn knuisten, alsof er een vreemde huid over zijn eigen vel heengespannen werd. En niets dan zijn kouden grinnik voor haar angst, Lien's verzet, het kinder-gekrijsch. Hij leek zich zelf weer kwijt in dat vreemde, wreed-hevige van een ander. Hij hoorde nu wat hij tot Neel zei, in een helderheid van klank, als gesprekken die opklinken in een doodstille nacht-straat onder strakken vries-hemel. Nee, nee, ze begreep niet waartoe hij nu in staat was, wat hij zou gaan doen. Dit gevoel maakte zijn wrok nog ijziger, wreeder van verkillend genot. Los van alles werd hij nu. Hij zou haar de huid van de tronie kunnen afvillen zonder een knik berouw. Nee, ze zag nu niets van zijn moord-kracht. Nou, nou bestond er geen belemmering meer. Ze zou er aan; haar strot móest dichtgeknepen al beet ze hem de handen af. Liep ze maar wég! ... nee, nee!.... hij zou haar niet meer laten gaan. —
Eer Lien het goed besefte had hij haar een vurigen slag op haar wang gekletst. Lien wou hem terug slaan, maar met één zwaai van zijn reuze- sterke handen smakte Stijn haar het keukengangetje in, waar ze dof tegen de muren opbonsde. Zijn bemorste knuisten dropen nog rood bieten-vocht af. Neel stond bij het bedstee'tje af te wachten, terwijl de heele kinder-bende huilend en krijschend aan haar rokken hing. Ze wist, ze voelde dat Stijn haar niet zou laten ontsnappen; wat ze ook niet wou, zoo niet 41 de kinderen meekonden. Ze zag het aan zijn verwrongen paars-grauwe gezicht, dat hij moést mokeren, moést koeling-zoeken. Hij waggelde niet eens meer. Vóór de alkoof-deur stond hij, als een paal, stijf en moordzuchtig, dat ze niet kón weghollen. Plots was hij op haar aangesprongen, beukte hij zijn zwaar-gespierde sjouwers-knuist op haar mond en neus, dat Neel kermend de handen voor het gezicht wrong, in één stuip van pijn. Achterover, de zwaar-
־4־