370
alkoofje. Dadelijk zwalkte Stijn haar achterop. Kleine Daantje gilde van angst om het woest-wreede gezicht van vader. Siempie, lijkig-bleek, stond in-gehurkt op zijn bevende knietjes. Hannesje, in zijn potstoeltje, begon hevig te grienen en benauwende gilletjes uit zijn keeltje los te scheuren. Onnoozel-koeltjes en vredig klingelde het winkel-belletje.
— Vollik!.... klonk bedeesd, fijn stemmetje van een meisje dat een cent sla-olie kwam halen. Neel, doodsbang dat hij woedend-wild Willempje Gronjée en Jansie zou mishandelen, durfde niet naar voor te gaan, bedreigd ook door de aanvals-houding van Stijn. Toen sprong Mientje door de achterdeur, naar het gangetje op het winkeltje uitloopend en begon in helkleurige angst-woorden de buren ontsteld te vertellen dat haar vader haar moeder wou vermoorden. —
Stijn had met zijn stuggen kop, de hanglamp in de kom scheef gestooten, die nu roet uitwalmde tegen het glas. Lien, voor dronken lawaai niet bevreesd, was op Stijn afgesprongen, pakte hem bij zijn rood hemd en schreeuwde verontwaardigd:
— Mot ufe 'n swèngere frauw sloan?____ schoam
üfes je aage niet daud?____ 't mins.... mot sau in
bed! —
Even voelde Stijn zich gebluft door Lien's strengelijke woorden, bleef zijn drift-daad in de geboorte gesmoord. Maar na de aarzeling stak de koele verniel-lust nog wreéder in zijn hoofd op, was de razernij van elkaar wild-verdringende voornemens, geslecht. Met een duivelachtige verkalming van zijn woede, wist hij nu klaar-licht wat hij zou gaan doen. Het oor-suizen was begonnen. Zijn wijf, dat wijf had hem beleedigd, gekrenkt, verlaagd. Dat deed ze hem altijd. Er moest nu koeling in zijn wrok volgen. Hij voelde al dra, die