369
Neel's oogen straalden dol van gekrenktheid en woede. Ze kon zich niet meer en niet langer bedwingen. Wéér zag ze niet, door eigen drift heen, wat er voor ijzende verkoeling in Stijn stolde. Hij beet zich op zijn afgeplatte snor, de harde wreedheids-trek verstrakt om den even bevenden mond. Plots mokerde hij een ontzettenden vuistslag neer op de tafel, die de kinderen deed versteenen van angst. Langzaam opstaand, scheen hij Neel met zijn armen, rood in het rood-baaien hemd, te willen worgen. Maar Lien, uit het keukentje stappend, met een stapeltje borden in de hand, sneed hem net den weg af. Ze kende de herrie-opwinding van de dronkaards, zooals ze haar keukentje kende. Haar vader was iederen dag zóó.
— Guns mins, is dèt schrikke.... trilde haar
stem;---- seg aume Staan.... hou je sjoakies!____
asseblieft....
Maar nauw zag Stijn Lien of hij sloeg haar de borden uit de handen, smakte den biet-bak van de tafel, dat het roode sap als een bloedstroom zijn bevende drift-knuisten omdroop. Het kon hem allemaal niks meer schelen. Temee zou hij ze ranselen, vernielen, aftuigen, al wierden ze zoo geel als koek. Hij kon ze openscheuren, jompen.... het was alles eender!
Het bakkes van Neel het eerst. Neel meppen, af-knokken, dat ze scheel zag. Ze moest aan zijn voeten kromliggen. — Potf'rdaurie, dèt beist hèd hem sau ge-temteird.... En de kinderen, de kinderen moesten er
ook aan. Hij____ een ellendeling?____ Hij____ een
dronken smeerlap?....
— Fort waaf____ wou je maèn.... maèn.... 'n
fork in me pins steike?.... ikke scheur je.... je aupe!
— Ik sel me wel waare feur jou.... kreunde Neel.
Neel was van haar stoel gesprongen, schommelde
met het zware lijf naar haar bedstee'tje, vlak bij het
De Jordaan 24