368
pijn, die verschrikkelijke, akelige, diepe steekwroeging, joeg hem óp, gunde hem geen rustige minuut. En als hij die oude, knagende ellende weer had verzopen, zooals vandaag, dan begon het gebeef van de nevelige gordijntjes voor zijn oogen, en het flakker-vlammen van licht, en dan zag hij weer dien rooden arm, die hem in een gloed onder-dompelde, waarvoor hij wel krijschen wou van angst. En dan plots, overstard door dat ijs-gevoel, dat ijskoude, koelende gevoel, waarin hij alles om zich heen moest gaan vernielen. Daar was weer het suizen en fluisteren in zijn ooren en het voornemend-regelen van de akeligste wreedheidsgedachten ....
— Füyl kreng____ schold hij naar Mi entje....
slobber.... hèi je nog gein jonge.... dèt die.... je bék .... ken aupedrukke....
De wreedheids-trekken kerfden een razende woede op zijn gezicht, en verleelijkten hem monsterachtig. Even er na, probeerde hij te glimlachen tegen stilstarende, angstige Sientje, die haar fopspeentje van schrik had laten vallen; en Daantje trok hij onverhoeds op zijn schoot, om hem te zoenen, in het wild op hoofd, nek en wangen.
— Dèt.... dèt is .... maèn fleis en bloet.... die hou ikke .... keep.... jullie.... spök ,..., schimpte hij naar de Gronjee'tjes____ binne moar angehoakt!....
Neel, kortademig, plakte haar !handen op haar hooge buik en gierde plots in zinnelooze woede er uit met een vlammig gezicht:
— Ellèndeling!.... se binne bei maèn èllegoar gelaak.... smerige dronke beist fèn 'n keirel,... wou jèi maèn Gronjei'tjes sloan?.... wou je weir es
'n luiertje üyttrèppe____ nou hep 't hért in je laèf____
sau woar as got leift____ ik staut je die fork in je
dronke pins____