367
uit den bak had willen opvisschen. Neel zat met een hoofd waarin het hamerde van bedwongen drift. Zoo een smerige drankwagen; hoe dorst hij nog haar kinderen, haar Gronjee'tjes te kastijden. Wat een bezoedeling van haar vreugde. Zoo een drieste schooier. Toch, ze zou zich inbinden voor de kinderen. Uit goedhartigheid had ze nog bij Ruigpoot twee gebakken schelvischjes voor hem laten halen; voor dien smeerlap. Hij was toch de baas, dacht ze, en hij sjouwde zoo onmenschelijk-zware vrachten. Zou ze hem niet liever die oude naaimachine, daar in dien hoek, op zijn harsens stukslaan? Zoo een smerige inborst....
Stijn zat op zijn stoel, vóór de tafel, het paarsroode opgezwollen gezicht onder den ros-geligen lampschijn wreedelijk aangelicht. Zijn ruwe stoppelsnor plakte nu gelijk een harige verdikking boven zijn lippen, als op den kop van een walrus; den mond in rauwe wreedheid op en neer bewegend, met een knarserig geluid tusschen zijn tanden, alsof hij op grint kauwde. In zijn roes-hoofd gloeide en priemde het erg. Er was weer drankvuur door zijn zenuwen gestroomd, en zijn verschuwde en ondersmoorde denken wóu een uitweg. De doorgestane vernederingen van Nel, Dien, Frans, ׳maar vooral van Neel, wrokten zich weer in hem saam. In een boevenkroeg op het Oude Kerksplein had hij een kennis ontmoet, met wien hij, zeven jaar terug, was omgegaan als met een broer. Die kerel had hem opgewarmd, verhit en het brein doorstookt met oproerige minachting voor alles om hem heen. Hij had met hem gepandoerd, gekruisjast en gedobbeld; alles verloren en toch nog vrij slib gekregen. Het maalde nu door zijn knar, dat Neel hem vertrapte; dat hij toch maar een verschoppeling, een zwerver was en bleef. En er sneed weer een oud, vurig verdriet door zijn ziel, dat hij niet sterk genoeg leek om het zuipen te laten. Die