366
druiven, linnen appelen en aardbeien, in het goud-verguld porcelein, leken met hun verstijfde en nooit aangeroerde pracht, nu eerst uit het schemer-duister óp te leven. —
Neel piekerde om Stijn. Aan zijn heele dreigende houding zag ze dat er in hem iets zou los barsten. In de gang, vlak bij het keukentje, was hij vloekend blijven mopperen. Onder het verhaspelen van wezenlooze zinnen, trok hij zijn boezeroen uit, en liep in zijn roode hemd, naakt gewoeld aan den hals, zwaaierig de achterkamer in. —
Willem rookte nu in een hoekje bij het raam, een piraatje. Dit sloeg dadelijk een giftige drift in Stijn's hamerend hoofd.
— Seg jèi.... snotbengel.... leilike board-oèp fèn.... fèn wie hè jèi die rauksinte gegènnift ge.... ge.... geif.... snötbengel!....
Willem schrikte heviglijk. Juist had hij zuivere nulletjes geblazen en door zijn neus heengedampt.... Met een woeste knuist sloeg Stijn hem het rookertje den mond uit, dat Willem schreeuwde van pijn en angst. —
— Jèi.... rauke?.... geif se maan Doantje dèt is .... die is ter bloet fèn m' aage,.... joa.... die
ister bloet fèn m' aage, ferstoan!____schreeuwde hij,
plots in een razernij het hoofd omdraaiend naar Neel.
Mientje's tenger gezichtje verbleekte van benauwing. Jansje sidderde en Pietje begon hevig te snikken. Alleen Willem had zich hersteld, gaf geen kik meer. Zelfs zijn hoest scheen hij nu in bedwang te kunnen houden. Hij zou, in ontembaren moed, zoo jong en klein als hij was, zijn vader naar de keel gesprongen zijn, als die Neel, zijn moeder, met een vinger roerde.
Zonder een woord waarschuwing stootte Stijn Mientje op zij en sloeg hij Jansje kwaadaardig in het gezicht, omdat ze een plakje biet met haar schuchtere vingertjes