365
haftig tsing-tsing-zingenden Daantje aan, met zijn pet op het hoofdje, de stormriempjes vanwege den gevaarvollen tocht, afgebonden om zijn oortjes. —
Lien had, nog half huilend van haar laatste couplet: ״Ein jonge moagd is schèndelijk bedrauge,.... deur hoar meheir petraun".... op een vuile krant de Maandag-kliekjes en een schaal dampende aardappelen, met biet in een steenen bak, opgedischt. Mientje en Jansie hadden op het plaatsje geploeterd en liepen uitgehongerd op de tafel aan. Maar Neel dwong ze eerst de kinderen op hun plaats te zetten. Lien droeg uit het duistere, heete keukentje, Hannesje in zijn stoeltje binnen, vlak naast Neel. Hannesje huilde jammerlijk.
— 't Wicht heit de tènde op se borsie,____die motte
eirst deurhoeste,.... stelde Neel zichzelf gerust, uit benauwenis voor erger. —
Het vale, druilige najaars-licht van laat-middag grauwde over de gezichtjes. Stapels kisten en visch-manden kniesden in den triesten regen, die nattigheid ontrafelde over den donkeren manden-rommel. De pijp van het kleine potkacheltje stak als een zwarte balk den smallen, hoogen schoorsteen uit. Op het mahoniehouten linnenkastje dwaalden purperen schemervegen. Heel het trieste, armelijke achterkamertje, door de bedden nog versmald, leek te verzinken in het avond-duisteren. Door het alkoofje schoot een bloed-glans op een rood kast-vaasje, even beschenen van het winkel-licht, tusschen een deur-reet heenschietend. Neel stak met onrustigen angst in haar, de vergulde lamp aan boven de tafel. Mien liet de lancaster-gordijnen zakken, heel langzaam. Lekker, vond ze; zag je tenminste niet dat griezelige plaatsje. De bloemvazen en stolpen op het kastje, naast de figuurzaag- en houtsnijkunst van Neel's eersten man, vingen nu een groezelig-gelen schijn. De bekertjes met kunstbloemen, roze