362
en kleine grutterij er doorheen. Nou de zorgen maar verdrongen, nu Stijn ook klaar uit zijn oogen keek. —
Stijn voelde aan alles haar tevredenheid. Hij beluisterde stil-aan haar praatjes, grapjes en schalkerij met de klanten. Ieder scheen ze aan te spreken in zijn eigenaardigheid, en plezierig te stemmen met haar vol-vreugdigen humor. Vlug was haar hulp, rad haar tong en guitig keken haar dartele oogen. En haar mond stond niet stil. Frans leek een Panopticum-pop naast zijn levendige zus. Stijn was een-en-al bewondering voor Neel. Hoe bedacht ze de praatjes, de lolletjes, den dein. Hij zou er nooit opkomen, al wierd hij honderd jaar. Ze was overal bij, alles werd door haar aandacht gestuurd. Ze moeide zich met de spelende of ravottende kinderen in de achterkamer; ze lette op het zwervende restje op straat; ze deelde Lien opdrachten uit; ze hielp de klantjes, babbelde met een ieder, en onderwees Frans, hoe hij het snelst zakjes kon invouwen. En werken, wérken deed ze, zonder adem-scheppen, werken als een karrepaard. —
De hoestende Willem kwam plots met vuile knikkers en een afgebeten zuren appel in de modder-zwarte handen, het stoepje opvluchten, achterna gejaagd door een woedenden groentebaas. Hij had twee appelen van de vent-kar ״gedoft". —
— Smeirige èppeldief! .... Neil je mèg je gènnif fèn 'n jonge wel es bei se aure schudde....
— Sloa 'm se auge in s'n toppie!____blies dadelijk
wild Stijn óp, nou het zijn stiefkind gold.
— Prebeir 't!.... tartte dadelijk beschermend Neel, terwijl ze achter de toonbank uit kwam schommelen. Toch moest ze zich goed houden voor Willem.
— Noa je nest, of je kraagt timme.... jèi komp nog in 't schuurtje faur je dertien bin!... dreigde haar stem, terwijl haar drift-oogen in angstigheid voorspelden.