359
oogen van Nel in, zei niets terug, vloekte haar alleen in stilte stijf. — — Juffrouw Stampvol!.... schamperde ze van
binnen,.... 't mensch met drie zinnen----lawaai-saus!
Nel's matgeel gezicht vergroezelde onder den troebelen schijn van de olie-lamp, en terwijl ze weer driftig haar bovenrok over het hoofd sloeg, holde ze met een vaartje Neels winkeltje uit. Op straat giftigde het in haar na. Waarom had ze Franz nu weer opgedrongen? Hoe kreeg ze de witte schortjes voor de kinderen klaar, haar hoogsten Zondag-trots, waar ze zichzelf de grootste opofferingen voor getroostte? Had ze zelf Zaterdags niet de handen vol? Moest het nou weer in haar grienen en jachten om Neel te helpen? Stank voor dank, dat kreeg ze! Met al haar driestheid, lachten ze haar nog uit, bezoedelden ze in haar wat ze zoo diep-goed en oprecht gemeend had. O! die wanstaltige Dien, hoe haatte ze dat scharminkelig vrouw-mensch. Hoe zou het met dié nog eens afloopen; zoo een schotschriftig creatuur. Zou Corry maar eens de handen uit de mouwen slaan. Maar die smeerde hem al vóór de donkerte viel. Nu had ze alleen hulp van Sientje, haar negenjarig schaap; en die ze nog zoet en laat op moest houden met vlooiedrop en negerdotten. Het stonk vandaag zoo bar in haar kelder.... Ze had den heelen dag een lap met heeten azijn onder den neus gedrukt om dien opgeslorpten gotenstank niet zóó erg te ruiken. En haar Annetje hoestte weer, droog en hol. —
Nel was dol op haar kinderen; op Dirkje, op Annetje, op Sientje, op het stotterende Jaapie, op den braven Jan, die al aardig geld verdiende en alles prompt overgaf. Zelfs voor Corry voelde ze een gekrenkte liefde, ondanks al haar zondigheid en koele minachting van anderen. — Haar in goudige lamplicht-scheemring verzonken snoepwinkeltje instappend, zag ze in het achterkamer-