357
afgunstige buurvrouwen, vooral Zaterdag-avond lekkernijtjes en zoete weelderigheidjes te snoepen, die de anderen zich nooit konden permitteeren. Dan sarderig, streek ze haar handen langs haar smalle heupen en op haar platten boezem af, en smakte. En als eens een sjofele buurvrouw het waagde óók een snoepertje in te slaan, stak haar de nijd en afgunst, begon haar bleek en hoekig gezicht onrustig rond te gluren of nog meer vrouwen zich zoo durfden vergooien. Van haar gemakzuchtigheidjes kon ze zich niet losweeken. Ze zag wel dat Neel zich heel moeilijk bewoog, maar dat raakte haar de koude kleeren. Bovendien, ze was vandaag zelf heel naar. Met half-gezakte stem, stond ze in jammerlijk zelf-beklag, Neel te vertellen van haar ellende. Ze had nu dagen achtereen al maar doovigheid in de ooren; en ruiken, gewoon ruiken kon ze ook al niet meer.... En haar hoofd deed niets dan gloeien....
— 'n Spaaker hebbe se deur me pit getimmerd,.... huilde haar zelf-vertroetelende stem...., nei Neil, dèt laupt mit je suster____ slecht of,____
— Kom je op de Jepeneisies te laèke,.... spotte Neel gemoedelijk.
Even na Dien's klagelijk inkomen liep ook Nel den winkel in. Ze bonkerde op klompen, den zwarten rok als een kap over het hoofd getrokken, het blauw baai bloot. Schuw achter haar aan stapte Frans Leerlap.
— Seg Neel____sprak ze hijgend van het jachten door
regen en wind, en vol meelij met het lot van haar schoonzuster, ____ik heb Frans meegebrocht,____om je een
handje te helpen,____jou kerel sal wel geen schaats
kenne uitslaan.... kijk 'm sitte?____net 'n uil die op
'n fooitje wacht.... En jij.... met je dikke pens.... Nel gromde er weer wat goedhartige ruwheden bij, toch inwendig dol-gelukkig dat ze Neel kon bijspringen. Ook voor haar was de Zaterdag-avond, een