354
tusschen lossen en opleggen, onder een droevige zwoeg-stilte. Er was geen vroolijk-makende werking meer in den jenever. De ploegkerels keken mat, als afgezwab-berde schooiers. De hemel grauwde en bij vlagen woei er een zoelige wind, die den regen nattig verspatte op de mismoedige gezichten der torsers. Tegen half zes kroop het schemer-duister van den wal over schip, mannen en pandmuur, en verdonkerde de fabriek tot een schimmig gevaarte. In het kantoortje werd door den ploegbaas afgerekend en Stijn stapte regelrecht, en zoo gejaagd alsof hij vervolgd werd, naar de Willemstraat. Zijn beenen,.... dat waren eigenlijk de dappere gasten die hem wegdroegen voorbij de kroegen. Niet hij, niet hij, want hij snakte naar de jenever-lucht. Van allen kant werd hij meegetrokken, aangeroepen, achter het gordijn gesleurd. Makkers hier en makkers daar. Maar hij stompte van zich af, al dorst hij ze nauw in het gezicht te kijken van innerlijke schaamte. Want ze joegen in hem de gedachten: naar huis, naar huis; help je ploeterende zwangere wijf uit het gewroet en gewoel van kinderen en klanten. Moest het weer slapen worden op half verrotte lappen en stroo, als eenige jaren geleden? Moest hij weer dat kwellende, huilende vloeken hooren van Neel, en de kinderen zien vergoren in vuil? Over een maand was er weer een big bij. Hoe stopte hij ze allemaal de monden dicht? Een knol-oog was hij, die een knarf op zijn bek verdiende, en een trap op zijn harsens dat hij tegen de daaien tolde. Een tippelaar op klompen was hij, een eng-hartig lef-zoeker met altijd natte lippen. Ze moesten hem een lende-trap geven, een por tusschen zijn ribben dat hij tolde!
Na zulke oproerige en zelf-afstraffende standjes voelde hij zich milder tegenover eigen minwaardigheid. Een week lang behield hij zijn standvastig gevoel, al sarden en ״voerden" de kameraden ook nog zoo fel.