ZEVENDE HOOFDSTUK.
Er dreef een zachte zoelte door de herfstlucht, een zoeten nageur van late October-zomerschheid uitbroeiend. Stijn Burk was al weer aan de suikerfabriek, zweette het lichaam week onder de zware zakken-vracht. Het lauwe herfstweer verslapte zijn met moed uitgeloopen werkdrift, en ook de drank sproeide een vreemde onvastigheid en beverigheid in zijn spieren. Drie weken lang leefde hij alweer in een soort van roes-toestand, waarin hij met zijn bedroefde gedachten overwaaide naar de angstigste gevoelens en gewaarwordingen. Hij had weer onbarmhartig veel gedronken en de dagen in ellendige triestigheid met Neel ver-ruzied. Huilend van woede en drift had ze hem toe-gékreten dat hij het geld voor de winter-kleertjes van de kinderen, verzoop. Er knaagde nu dagen achtereen, een verkropte wroeging in hem. Neel, met haar zoeten en vurigen levenslust, maakte al zijn zuipig wangedrag te schande, door haar zélf-zwoegen zonder eind, voor het gezin.
Vandaag, nu de wroeging hem het hart in-angelde, ging hij vroeger van huis dan ooit, zonder de dorstige kameraden aan te roepen. Hijwou zijn lusten verdringen en met hardnekkigheid, na afrekening op het kantoortje, weigeren de kroeg in te zwaaien. De dag ging om,
23
De Jordaan