354
en paars-gouden spetterende lichtjes, als van kleurig sneeuwenden vlokken-glans. —
Allerlei mommen en carnaval-kleuren doemden uit het duister óp achter den zwak-geelrooden lampion-schijn, en op de dampende straten knetterden de voetzoekers, spatten de sissers rond, zilver-vonkte het Japansche sterrenvuur. Brutale jochies zwaaiden over de lallende menschen-koppen, zonnetjes en sissers. Maar de meiden hosten door, zakdoeken in de hand en ratels in den mond. Weer reden de Janpleziers van de visch-college's, aan alle kanten kleurig be-illumineerd door vetpotjes, de dol-gedreunde straten rond. En weer barstte er rond de slakkegangig-stappende paarden, een razerige roes los. Van den wagen uit werd met flesschen en bierkruiken gegooid. Het geluid van brekend glas mengde zich tusschen het zang-getier. Op de banken was een gestamp van voeten en joelde de bende een delirium-gejuich uit. Kerels lagen ver-zwijmeld over elkaar of op den grond van den pot-wagen. En óver al het menschen-gezwalk en -getier, alom uitbruisend, azuurde nu een uitgeklaarde, hooge sterrenhemel, een overwelving, die het avondlijk geraas verarmde tot een benauwende eenzaamheid, een nietigen menschen-zwerm, verdwaasd in het kraterende nacht-goud van een verwilderden Hartjesdag. —
Mooie Karei, de Bul, Willem Hoomeijer, De Neut, en al de meiden, in éen arm-rij aansliertend, hadden afgesproken dein nacht te vertollen op den Zeedijk. Maar eerst nog zouden ze de stad doorzwermen, Dam en Warmoesstraat. —
Vlak aan den hoek van Willemstraat en Brouwersgracht, speelde Karei nog wat deunen op zijn harmonica, zelf meezingend. Duizenden trokken rond hem óp .... Ze vonden het allemaal.... prachtig!.... en in