350
straat, en er na, onmiddellijk in kelders of onderhuisjes, ontrookten telkens andersoortige bengaalsche fakkels een duivelsch rood, flakkerend in oranjen Hamp, tusschen groen vuur. En plots was het, alsof verlichte huizengevels bij den nok omtuimelden, door een terugdraaiend schaduw-spel, wanneer uit kelders en zolderluiken even nk elkaar de lont-ontvonkingen losschoten.
De donkerste sloppen brandden telkens óp in den bengaalschen vuur-walm, als holen van vleermuizige menschen. Er duisterde en vlerkte een pikzwart of groen-schel gezwaai van armen en rokken, tegen den plotsen lichtgloed in. Griffioenige kop-gedrochten in wilde licht-razernij, enkele gelaats-brokken bevlamd, keken met roode en gele moord-oogen, en zwartblauwe vlerken van damp omnevelden hun gestalten in het donker. De huisgevels rookten na in een oranjen walmgloed, verdrongen door goud dat zwartig afdampte van ontbrande pek-fakkels. In den verwilderden vuur-schijn lijnden grillig de nokken; puien bleekten óp als geschrikte gezichten; ruiten staarden ijselijk strak als bloed-omrande oogen, zwart-paars be-luikt, waaruit vlammen lekten. De dakvormen sneden zich uit in de donkere lucht, als een gouden stad plóts gerezen, en na eenige tellen weer verzonken, terwijl alleen een schaduw-walm bleef na-purperen boven de keien. —
Het loeiend gebrul der feestvierders ronkte tusschen het zatte gerochel der verliefde drinkebroers en de eene wijs stierf terwijl de andere werd geboren. Achter Gijsbeeks orgel groezelde een half-belichte massa bijéén met de bierflesschen de handen ingeklemd, slurpend en slempend. Een vervuilde ridderstoet uit een kroeg op straat gesmakt, werd door een Japanschen vonken-regen overstrooid, dat het rondom de zatte tronies gloeide van licht-gele, rood-groene