348
dat bij een steeg-poort in den schemer verdween. —
— Am-ster-dèm .... Am-ster-dèm.... zong de tegenstoet in donderend galm-gekrijsch. Ook Mooie Karei danste nu den gewonen dans mee onder al de makkers en vriendinnen. Heerlijk lichtvoetig zwaaide hij rond en wel twintig meiden had hij in een half uur afgedanst en het gezicht vol-gezoend, behalve Corry, die hij ״niet zag". —
De Noordermarkt dampte in het late avond-goudrood.
De hemel lichtte groen-paars over den bezwijmden Jordaan. Van de Westerstraat golfden menschen-massa's weg, tusschen de afgeslagen kraampjes, langs ingevouwen schragen en afgetuigde zeildoeken. Om de kroegen joelde een vloekend leven. Opstootjes her en der; vechtpartijen, dadelijk rumoerig en duivelsch overzongen door feestvierders die zich door niets lieten storen. In de Anjelier-, en Tuinstraat, in scheemrige, verdonkerde goud-tonigheid, wijk van geheimzinnig violet-paars, dat een angstige groezeling duisterde over de armoe-krotten, hurkten vrouwen op stoepen en houten voortrapjes met slapende of de borst-krijgende kinderen op schoot. Gramschap, toorn en wilde vervloeking dreigden er op de gezichten van vele vrouwen. Afgesloofd en uitgeput verkniesden ze zich op hun stoepjes, terwijl de gloeiende jool der hossers en vrije meiden rondtierde in de buurten waar de orgels dreunden. Oude vrouwen slurpten van schoteltjes thee, en havelooze wijven zaten te breien op krukjes en stoep-leuningen. Bij de Prinsengracht schoot een troep meiden de Tuinstraat in, terwijl een paar uit de bende nieuwe noten onder de hakken vertrapten. Telkens sprongen jonge kerels toe, boften de meiden op armen en dijen, ranselden ze op rug en achterste, en grabbelden met wreede graai-knuisten het verkneusde noten-gruis weg. —