347
slagje te slaan. Verkleede meisjes zongen, als lili-putterige Volendammertjes, met lampions en vlaggen gelijk vlammetjes zwaaiend in de hand. —
De roode zon gloeide geel-glanzige schijnsels over het dolle gewoel. Een branderige stoffigheid over-dampte de breede Lindengracht, vertroebelde het late licht onder de rok-zwaaisters en het plebs dat de donkerste stegen uitgelokt werd. Kralen snoeren von-kerden als bloed-druppels op de warme meiden-halzen, en de alkleurige blousen, tusschen de jakken en lichtende kinder-boezelaars, vlamden van verre als een losgescheurd, reusachtig turksch tapijt, in de late avond-verbloeding. Alle orgels draaiden nu een helsche muziek tegen elkaar in; mazurka's, polka's, walsen, marscben, joegen dooréén en de op-elkaar-gepropte, puffende massa, vertrapte de tempo's onder de trampelende hielen.
Ach, ik bin sau noar,
Ik sèk hoast in mekoar.
Wént m' Oarie is noar de Aust....
Drie meiden-kerels, hangend tusschen de armen van twee matrozen, jammerden het lied af, in on-menschelijke smartelijkheid van geluids-verrauwing. Hun dronken zwijmelende koppen, vuil-rood van zweet, hitte en uitputting, belodderden de woorden; hun lijven waggelden opéén, struikelden en plonsden neer als slappe zakken. Toch bleven de heesche kelen dóorjammeren hetzelfde lied, met dezelfde begin-regels:
Ach.... ik .. bin .. sau noar....
Ik sèk hoast in .... mekoar ....
Ze wroetelden weer op de been, oversmeerd van stof. Een tegen-stoet omstormde het dronken stel,