346
soheemring. Dwaas-toegetakelde meidenstoeten van de zakjes-plakkerij uit de Looierstraat en de koffie-pikkerij uit de Houttuinen, woelden de Goudsbloemstraat vol en doorkermden zingend de straat met allerlei rijmpjes.
Wie droagt ter 't maujste hoè.... dje
Fen onse jongelüy?
Wie kaakt ter noar mauje maèsies
Tussche Kèlferstroat en Spuy?
Wie froagt hullie om 'n soen? ....
Wie knaapt sullie in d'r küyte? ....
Dèt-is-nau-Moa .... nus,.....Dèt-is-nau-Moa-nus.
Die hep de liefte in se koa-è-nus!
Dèt-is-nau-Moa-nus.... een glèdde Joè-nus,
Siet hij d'r 'n maad____
Dèn bè je 'm fèstig kwaat....
Het Hartjesdag-rumoer begon nu, naar den avond, onder de groote menschen pas los te laaien. Telkens, op de muziek, sleepten en sleurden stoeten voort, in het klank-gedreun en het kokende getier, liederen tegen elkaar ópzingend als in een gevecht van geluiden. De Lindengracht lei bekrioeld van dansende meiden en kerels. Kinderen cancaneerden in uitzinnige hartstochtelijkheid en opwinding; meisjes van dertien en veertien jaar, de haren opgemaakt als pronkerige sletjes, groepten tot quadrilles en lonkten een liefdespel met de oogen naar opgeschoten jochies, die ge-meene cigaretjes dampten in poenigen durf. Uit de Wijde Gang waren de schooiers, voddenrapers en beltwerkers komen opdringen. Al soorten boeventypen, rood-gedast, de pet scheef, en spuuglok op het voorhoofd geplakt, loerden rond. Vunze souteneurs en zatte zwendelaars, honkten bijéén met gluiperige wenken, dwars in de herrie, probeerend hun zakkenrollers-