345
te hoop in een kolk van dierlijk gekrijsch. Een eindje achter Gijsbeek's orgel danste de vermomde koloniaalsergeant uit den ochtend-stoet, met een jochie van zes. Het kittige kereltje sprong kuiten-flikkertjes en maakte tierelantijntjes met de losse pols als Mooie Karei in het groot deed. Met een geleende colbert-jas, waarin het lichaampje verzonk, speelde hij zeiltje-slap en zeiltje-stijf achter zijn hoofdje, op en neer, open en dicht, sloot en sperde hij de beentjes in kluchtigen draf,
— 'n Tweede Mooie Karei.... lachte Nel Scheendert met haar gulle hart, terwijl ze het mannetje hartelijk-ongegeneerd een stuk taai-taai zijn mondje induwde. Ze genoot van zijn kloekheid. God weet waar haar biggen nou zwierven in het lawaai. Frans Leerlap had ze er al een maal of vijf op uitgestuurd, maar hij kon ze niet opsnorren. Neel keek zoo gretig met haar hei-blauwe oogen naar het dansende kereltje dat Nel schrok....
— Geef studie meid,.... en let op je peziesie....
— Wèt?.... lachte Neel,____ loat ik nou joa '»
biggetje kraage die d'r me büyk uytdènst!....
Neel schaterde om het namaak-dansertje van zes.... Lacherig trommelde ze zich de handen op haar buik.
— Kaak dèt fintje.... se èrrempies fèn kwik-me-dit en kwik-me-dèt!____
— Hij wiebelt mit se kuite!____lachte Nel nu mee.
— Sau je 'm niet op freite? .... zei hartstochtelijk Neel,.... kaak saèn.... op de taun!.... älleminse! sau'n kwieke krummel!.... an de feir sie je de fau-
gel!____'t Is 'n neifie fèn Länge Dries!.... Stijn
wou niets zeggen, uit angst voor een afblaffer. Maar het was toch heel slecht van Neel dat ze in haar hooge zwangerschap zich zóó weinig ontzag. —
Er dromde al meer en meer volk op, tegen avond-