343
moedigheid; haar rijke wisseling in vormen en figuren, haar steigerende geestdrift en uithouding. Zelfs Mooie Karei keek gebluft om zooveel koortsig-heete zelfweg-geving in den dans. Wat voor een heks was het toch? Ze moesten Tante Antje uit de Wijde Gang eens raadplegen, hoe het !met dat stuk schepsel zou afloopen. Kijk, ze zag waarachtig blauw van inspanning; zoo een troebele snoes! Plots, met een zwier-sprong, nam Karei de leiding. Nog rapper, geestiger en levendiger dan bij Heintje Punt, danste hij nu met over elkaar gekruiste armen om de oude vrouw heen, zijn enkele voeten onder de stijve beenen, snel heen- en weer krommend, alsof ze los aan de enkels bengelden. Den kop ingebukt, bekeek hij zijn eigen hielen-ge-schroef, om onverhoed in een feilen dwarrel vlak voor Kee Spek uit te schieten, zonder haar met een vinger te roeren. Hij had plots geremd en was weer met een schuine cirkeling om haar heen getold, in cierlijke strekkingen van romp en hoofd. —
Zóó vurig en hevig hadden ze Karei nog nooit zien dansen. Alles deed hij, alles, met een verbluffend gemak. Hij goochelde een flikkering van bewegingen met handen en beenen; hij sprong als een gevleugelde en zakte dan weer statig, als drijvend op de armen, tot een hurk-dans in, zijn handen in zachte wendingen alsof hij een harp bespeelde. Hij leek een levende mensch-tol, een brug, een trap, een worstelaar, een roeier-in-de-lucht. Hij had het volk nu het hart geraakt. Door donderende hoera's werd hij overgalmd, alsof hij op tooneel stond. Met een woekerachtige genots-begeerte wilden ze den kerel zich liever zien dood-dansen, dan hem zien ophouden. De menigte, begloeid in den al goud-rooden zonnedamp, stootte schelle kreten van geestdrift de heete kelen uit. Karei, bezwijmd half van hitte en afmatting, hoorde alleen geraas en toegeroep,