339
— 'n Beitje waad-üyt!.... gauj hullie kraat op d'r jèkkies!____sèl je hullie sien fliege!
Lange Dries, na Karei de lenigste danser van den Jordaan, bewonderd om zijn losse voeten, die hij bewoog als spilden ze tusschen een draai-schroef, had zonder afgunst Karei in mildheid toegejuicht.
— Fèn suk werk hep ikke nie terug.... erkende hij zedig-eerlijk.
De menschen genoten van de eer voor hun Karei. Lien groeide; Corry had hem wel kunnen slaan van blijdschap. —
— Die fint,.... bromde Lange Dries____ hep 'n
krècht as de wind,.... hèi hep gein weit meir fèn se aage, as tie dènst!....
Neeltje Terwee 'keek met bedroefde oogen. Karei had haar al een tijd lang niet meer stiekem toegeknikt. Zou Heintje hem zóó in de gedachten steken? Terwijl Heintje uitrustte zette Karei alleen een dans in. Een goudgele chrysant pronkte nu op zijn borst, met rood-betipte krul-vingertjes.
Alleen door een geweldige beheerschte kracht kon hij in dien dans zijn evenwicht behouden. Tuimelde hij op zijn neus dan zou er gelachen worden. Maar hij viel niet en slierde zijn lang-lenig lijf uit, precies zooals hij wou.
— 't Is t'r 'n meroakel,.... sau'n ophoalbrug!.... schreeuwde Lange Dries, vurig Karei toejuichend. De massa joelde wild mee. Grauw van passie strakte Kareis gezicht toen hij ophield en als blind over de menigte heenkeek.
Ter afwisseling trad Lange Dries nu den kring in met een lange fabrieksmeid, die uren achtereen kon huppelen en trippelen. Ze keek vrijmoedig rond. Haar leelijk-scheef gezicht met klein-gedrukten neus en rossige brauwen, stond achtereen in lach-rimpeling.