338
Van zijn eigen ontroeringen kon hij, bewust met den geest, niets onderscheiden. En niet beseffend, de ver-droevende werking van de muziek op zijn gespannen zenuw-ziel, schaamde hij zich hevig voor die weeke verinniging van zijn inborst. En toch, al de onstuimigheid was nu verzonken uit zijn natuur. Hij dacht zonder te denken. Alles in hem was doorward van een droo-rnerig geroes, dat hem in een soort van machtelooze slaperigheid dompelde. Hij zag en hoorde wel, maar als in een droom. Het geluid bleef geluid-, het licht, lichtloos. Hij was bang voor die suizing in zijn oor, dat vreemde kloppen in zijn kop, dat dompelende verlammen van zijn wezen in den slaap dien hij niet wou. Wat een raar gedierte was hij toch? Kon hij nou huilen? Verdomd! Zoo een plechtige chinees.... nee, dat was een mirakel. Zoo een oud-bevlekt banier als hij! .... wat een liplap.... komkom!... . dat móest remmen____
Met een wreed behagen ontscheurde hij zich aan die soezerige beneveling. In scherpe ironie schertste hij weer grapjes met de meiden en plaagde ze, door spottende liefheidjes te treiteren, waar hij niets van meende. —
O! de Jordaners wisten het wel: de dans van Mooie Karei was nog lang niet klaar. Nooit was hij zóó moe, dat hij de noodvlag heesch. Die roekelooze kerel met zijn zotte lusten,.... hij stoppen? Ze waren trots op hem, op Karei. Kerels en meiden, en niet het allerminst de bakvischjes van veertien, vol snibbige grilletjes en over-brutale pret-woordjes, keken naar hem op, voor zijn dans-kunst, in gave bewondering. Als hij nu nog zelf ging zingen en harmonica spelen,... was god-aan-zijn-end! — Jongens beklauterden de lantaarn-palen; nekken rekten op stoepen, en het perste, perste al opéén. —