336
neuzen, boezems op boezems geperst, dampte hette en dwarrelde keien-stof dat ze omgroezelde in de schelle sterfvlam van den dag. Het dreunde en roffelde, en de huizen sloegen het straat-tumult terug op de woelende menschen-zee. Achter den geweldigen kijk-kring om Karei en Hein, waren nieuwe danskringen uitgewoeld, trampelend, hurkend en hijgend inzinkend op harmonica en fluit. Van al de verdiepingen uit, werden Karei en Heintje toegejuicht. Voor de ramen drongen de dweepzuchtige meiden saam en de hoofden opéén geduwd, vergaapten ze zich aan den dans of barstten, — met doeken zwaaiend en handen wuivend, — in dolle geestdriftigheid uit. —
Mooie Karei was nu de lieveling van de Willemstra-ters. Als Scheele Mie of Juweelen Bet één haperend woord van schande hadden wagen te kikken, ze zouden de meiden gesmoord hebben, in razende woede en gekrenktheid. Neeltje Terwee had hem nog nooit zóó knap gevonden. Ze kon met haar oogen niet van hem afblijven. Ze betastte hem met haar heeten blik. Dat was nou een afteekening van Kareis wezen, als hij danste op Hartjesdag. Dat was nou haar Karei, met wien ze alles kon uitspreken; de roekeloos-belasterde, om de verleiding van zijn mannen-natuur. Nu keek ze naar Heintje. Wat was die knap en zoo bar-aantrekkelijk. Wat mooi flonkerde de speld in haar kapsel. In Heintjes oogen zonk al dieper uit, een bedwelmende zinnelijkheid. Ze keek nauw meer rond. Alles was Karei, Karei. Hém tastte ze vlak in de poppetjes, want iedere zwenking en om-cirkeling wou ze vooruit voelen en van zijn gezicht alleen aflezen of ze het goed deed. Haar zwarten boezelaar had ze nu slank langs haar leest getrokken met twee satijnen linten en een lendeband, en haar jak leek smaragd-