334
heid, plots afgewisseld door hartstochtelijk zich geven, met al de woedend-onstuimige kracht van zijn lichaam en de snakkende driften van zijn verliefde zinnen; zijn naieve openheid en tegelijk zijn gevoel voor de scherts, onder zijn dans, in een snel combinatie-spel van fijn-genuanceerde beweginkjes geopenbaard, die onmiddellijk deden schateren om de kluchtige lijn-ironie en de teekening van het spot-gebaar. In vurige levendigheid, zich toch op het tweede plan terugdringend, danste Karei tegenpassen, schuiflend, met een los onderbeen kringetjes wentelend en de groote fantasie-figuur van Heintje, sober ondersteunend. Het volk juichte haar toe; de meiden vooral, maar Karei werd overkrijscht met geestdriftig geroep en in een straat-tumult verdoofd. De rhythmische zekerheid van al zijn bewegingen suggereerde zoo stérk als de cier-lijke losheid ervan. In Kareis gelaat begon, na al het gejuich, de macht van een stillen glimlach te werken. Het regelmatig-mooie van zijn gezicht, kreeg een manlijke, bijna strakke vastheid, door een overvloedig krachts-bewustzijn erin gebijtst. Het onverzettelijke in zijn dunnen mond, spande zich; het teedere en vlammende in zijn oogen, wisselde. Hij bewoog en wist zich bevallig, zonder eenig ij del gekoester van die bevalligheid in hemzelf. De schoonheid van zijn gestalte bleef hem als feit onbewust, wijl hij er zelf de kenmerken niet van vatte. Toch voelde hij dat er een iéts was in zijn verschijnen, dat vrouwen dadelijk pakte en uitsluitend ontstond door zijn gezicht. Zoo was hij zich niét bewust de zinnelijke schoonheid, de krachts-concentratie in den blik van zijn oogen, de aanvals-woede er in en de verzachting van alle felheid plots. En toch wist hij dat hij met zijn ״lampies" stoutigheden uithaalde. Ook nu in den rood-beschenen dans van Heintje, doorleefde hij het be-