334
benauwde kopjes in de laagte afbengelend. De klagelijke bekjes kermden kleintjes, terwijl hun stemmetjes onhoorbaar verklonken in het nabootsend menschengemiauw. Maar heel gauw werd er uit alle verdiepingen medelijdend geschreeuwd, verlosten een paar woedende vrouwen de katjes uit de sar-plagerij van de dronken kwel-kerels. —
— Als jèi sau an de hoak hong, sau je nog èndere bomboarie sloan.... ès die èrreme beisies t.... snauwde een der reddende vrouwen. —
— Sukke mèrmotjes.... op gein kwoad f'rdècht! en gein got of goed mins dèt er teuge öpkomp____
Het hooge orgel van Lange Jan was eindelijk van de Brouwersgracht, de Willemstraat ingehobbeld. Lange Jan, Jordaan-buurtverkenner en terrein-opne-mer als geen ander, nestelde zich vlak voor het trottoir, een vijf huizen van Neels komenijtje. Lange Jan krabde zich in zijn palfrenierig-gefatsoeneerde bakkebaardjes, van louter vergenoegen. Want vandaag zou het vuil-blikken ophaalbakje een verhaal van ״zwaiarte" kunnen doen. De voorkop van zijn orgel blonk in wit-lakkige verf als een zonnige gevel en de triangelpoppen voorop, met den maat-slaander in het midden, leken uit gesmolten fondant gekneed in hun roze zoetigheid van kleur en goud-bebiesde kermispraal. De zon omstraalde in laten gloed Lange Jan's zangkast en tetterde een fonkeling van vlammetjes af op het koper, de triangel-bel en de fluiten. De menschen bekeken de kast in verbazing en bewondering, als een lichtend gebouw in den goud-rooden dag-glans. „Grootste eere-diploma te Brussel",.... lazen ze haperig met den eerbied van onbeschaafden.
Om de poppen, tot bij het slagwerk, zwierden oranje vlaggetjes, waartusschen het portret van Koningin en Prins Hendrik. En om het goud-ornament en de