330
hem nog nooit uit zijn oogen zien kijken. En telkens een lief teeken van intiemheid naar haar, stiekem. Als ze even bijtrok uit haar zwijmel-genot, dan keek ze toch schuw en angstig rond,.... of haar vader soms loerde in den kring. Want die was den laatsten tijd erger dan ooit tegen haar losgestormd met bedreigingen en vloeken, zoo ze dien verdoemden meidenjager niet zijn kwartier gaf. Maar ze kon hem nü niet en nooit uit den zin zetten. Ze moest haar loskoppigheid zelf maar boeten. En of haar vader hem ook schold voor kermis-muzikant, meisjes-verleider, groene huzaar het maakte haar alleen nóg doller op zijn snoet. Bet de Slobber en Poppen Trui cancaneerden, de lijven vlak opééngeperst, een zot-beenen-spel, als twee zakken die uitgeschud werden, terwijl achter hen Kris Hardebol, telkens hevig slingerend, dronken den dans-kring intuimelde, woest bij de armen er weer uitgesleurd door Barend De Kaffer en Zout-op-de-Lip. Nelis de Pikpot verkocht, als een harlekijn, grapjas-geintjes met de punt van een reuzige paarse vloeimuts, strak om zijn hoofd gespannen. Hij hapte in een hard ei en deed lollerig-onverschillig. Maar inmiddels hield hij Scheele Mie en Juweelen Bet in bedwang, die weer schandaal wilden bijeen schreeuwen vóór Mooie Karei zou beginnen te dansen. Een heetige koorts van verlangen groeide aan in den menschendrom. Oranjekers, Lange Na en Matje Scheefduim uit de Wijde Gang, bejoolden de omstanders met schunnige pret en malden gemeenigheidjes naar de jongens met zóóveel aanhaligheid, dat de kerels al stoutmoediger de handen in roering brachten. Rond Merk Hoera, Mie Plat op Plat en Lientje Vier-uur, jammerde een hevig miauw-gekrauwel uit honderden monden. Twee kerels hielden, boven een stoep, de armen wijd uitgestrekt, ieder een zwarte kat bij den staart, de doods-