329
Neel, haar nek uitrekkend naar een kennis die platge-plet werd door een van achter aandringenden drom van de Brouwersgracht.
Stijn lachte om die dondersch-sarcastische Neel;
altijd dezelfde. Vandaag, hij.....tenminste nuchter.
Voor hoelang? Toch zou hij de zware buik van Neel beschermen in het gedrang. —
Het stel dat met Karei en Heintje den ganschen dag had meegezworven, stond verspreid in de eerste rij kijkers. Het politoerdertje, stom-dronken aan den arm van de Bul, te slap om zijn nieuwen ratel verder dan één slag te kunnen omkrijgen, bromde wezenloos naar den vetten kameraad, of Karei al ״se ènker hèd uytgeworrepe". De kijk-kring werd al grooter en roeriger. Ritsige Arend drong met Kee Spek de op-dringers achteruit, als politie menschen op een afgezet terrein. Lien en Corrie, vlak opééngedrukt, bekeken alleen Karei. Lien met een boei-rood hoofd, dol van verliefderigheid, al schrijnde nog de droefnis over de gebroken kop-en-schotel in haar na, het hart door-priemd van zoete pijn, en tegelijk opgewonden vroolijk en luidruchtig; Cor, strak, verkoeld van wreed-inwendige maar klachtlooze jaloezie, toch hevig verlangend naar Kareis dans-triumf. Cor, bijna een hoofd grooter dan Lien Dekker, hield den arm om Liens hals gekneld. Ze onderging nu naast Lien een soort van teederlijke verzustering, door gelijksoortig-ondervonden achteruit-duwing van Karei, en door een diep gekrenkt mingevoel. Ze deed heel vriendelijk-intiem met Lien, schoon ze, als Karei toevallig even keek, dadelijk koud-strak voor zich uitstaarde. Hardnekkig zou ze volhouden, geen plooitje wijzigen in haar gedrag. Zoo een zwarten dragonder moest je temmen, temmen en geen nageltje toegeven. Neeltje Terwee genoot in een zwijmel, die haar alleen nog Karei deed naken. Zoo klaar had ze