326
Willemstraat leek in verwilderden opstand losgebroken. Van overal gierde en zang-schreeuwde de opééngeperste menigte in het late licht, dat al rood-goudige glanzen uitschoot over koppen en woest-hossende lichamen. —
De meiden- en kerel-stoet van Mooie Karei viel gretig aan op het heete geraas van den straatorgelzang. Hij zelf voelde in zich opgloeien de roezige feeststemming en door héél zijn lichaam de onbedwingbaar-hevige dans-tinteling. De kromme sprong zou gedaan worden, blijdde de begeerte in hem, den ganschen dag al onderdrukt. Een rhythmische wieging deinde door al de luisterende en rondkijkende vrouwen, mannen en meiden; beenen hieven zich half van de keien, handen drongen slap-van-pols, op maatslag in de hoogte, in cancaneer-stand, en donkere en lichte oogen fonkelden in den feilen nagloed van den snik-heeten zonne-dag. Het avond-roodige licht van den zonsondergang, verbrandde een goudgelen fakkelglans op meiden-kapsels, schildpadden kammen, oorbellen en snoer-kralen, en veegde vlammige schijnsels langs winkelposten, plinten en lichtende ruit-kozijnen. Met de zingende monden wijd open gehold, lalden de vrouwen en mannen de orgeldeunen mee. Over de duizenden saamgedrongen koppen, golfde een schel koor de lucht in. De wit-gejakte vrouwen, in haar paarse, blauwe en beverbruine onderrokken, met haar kleintjes den arm ingekneld, wachtten op wat er groeien zou uit den roemruchtigen Hartjesdag. Want al hadden ze zelf afgedaan als vrije meiden,.... de dans, de orgeldans en de fluit- en trompet- en trom-muziek van de straat, bleven het leven lang hun plechtigste hartstocht en liefde behouden. In de overdaad van den straatdans, onder het gillend geraas der mee-zingende stemmen, leefden ze hun opgewondenheid en hun