325
men, vóór de drukke Prinsengracht-winkels, stroomde het licht neer, als in een glijval van glanzen en sprankelingen. Van de Egelantiersgracht schoot een helrood gelakt reclame-wagentje van ״Donkers'-hoeden", een buikbrug der Prinsengracht op. Het fietsennikkel der stangen flonkerde als machine-zuigers in zon. De fietser trapte zich de brug-buik op en zonk snel den bochtigen wallenkant langs, waar hij, als op een wagen van vuur, verdween tusschen de wemelende menigte. Bij de Westerstraat, aan het einde der Prinsengracht, lei de Noordermarkt in het schroeiende namiddag-goud, dat zich verkoperde in een paars-gele en walmige hette-waseming. Op de kleur-strepige, witte en grijs-glanzende zeildoeken van de kramen en bazar-achtige tenten, trommelde de zon nu schuin-invallenden gloed neer; hief, van de Prinsengracht afgezien, héél het drommend marktgewoel óp in een uitdrijvenden mist van onderschept licht. En de massa verschoof in drommen als een reuzige caleidoscoop van kleurige vlakken en ruiten, onder het zengende hemelblauw, waarover heen het flikker-glanzen van banen en kruis-stralen licht, licht, alom. —
IV
Toen Mooie Karei, na rondslentering en kroegen-geplak met heel den luidruchtigen stoet tegen zeven uur de Willemstraat wou inzwenken, stootte hij óp tegen een geweldige menschen-massa, krioelend rond tier-slaande orgels in een kokend gewoel. Er was een verdierlijkte drift in het volks-dansbegeeren, aangehitst door de Hartsjesdag-feestelijkheid. De lijven propten opéén, saamgeperst in de dringende volte. Van de zijstraten hosten telkens zingende stoeten door nog harder zingende drommen heen. Heel de