323
het touwwerk, de vrachten, geverfde jachtwielen en het uitgehangen schippersbaai. Het water onder de voerschuiten wiegelde, flonkerde en vlam-ketste de ingespiegelde roer-en-kop-kleuren terug en de zon roerde er haar schelpachtigen zilver-goudgloed heet overheen. Groen en okergloed, vermiljoen, blauwgeel en beschilderd schitterend wit, stoeiden in het zonnegoud dooréén en otntintelden het veroniese water in een kleurige dampigheid, die langs de wallekanten goudpoederig verstoven wégzoog tegen het geblakerde, ambere en bruine oever-steen. —
Een oppropping van vrachtschuiten langs de kanten, soms twee, drie naast elkaar, den doortocht van de vaart belemmerend, bracht het Amsterdamsche volteleven in de Prinsengracht, het wemelend saamdringen in den Jordaanhoek. Zaandamsch-groenig omschilderde tjalken-kajuitjes, overkapt met cobalt-schitterend luik-werk, stonden als poppenhuisjes roereloos te blakeren in het licht, met hun kleine ruitjes en knus-speelgoedachtige vitragetjes, waarover half uitgezakte lat-jaloezietjes voor beschilderde, oudmodelsche raampjes. —
Al de roeren, opgedrukt tegen koppen van andere schuiten, fonkelden hun goud-verciering en hun cobalt-blauwe, rood-violettige en goud-bronzen kleurigheid rond. De kajuitsluiken, helgroen of van bloedenden anjer-glans, zogen de water-dampigheid in en de afstraling van licht over de kleuren van zwaarden en masten. In de verte, bij de Eenhoornsluis, fonkelde het middaglicht over warm-gouden boegen en schitter-helle, zon-weerkaatsende flanken van schuiten, met beslagen koperen roeren. De glanzen, gloeiend als glazuur en het vuursprankelen van het water, braken vlammend op de fel-bezonde dakjes van zich opdringende huizen, uit de slingerbochtigheid van de
21»