322
in een paarsige wazigheid, verijlde tot mastpunten tegen het vloeiende blauw van den wolkloozen horizon. Naar den kant van Leliegracht, achter de Wester-kerk, zeefde een wit-gouden mistigheid neer en wolkte een opgedwarrelde stads-stoffigheid, als onder ruiters-in-draf blijft hangen op zonnigen, bezanden parkweg. Tusschen de boomen-rijen, langs de walkanten van grachten in de verte, woelde een gesmoord en teruggekaatst glanslicht zich in een schaduwende gedemptheid uit, terwijl aan den rechterkant van de Prinsengracht, bóven de huisnokken, de zware boomkruinen * vólop het zon-blakeren vingen, en de befonkelde en lichtdoorrinkelde vensters en ruiten tusschen de stam-menschaduwing stralen vuur wegschoten. —
De Westertoren stond boven den gouden damp van de doorbroeide en doorwoelde zomerstad, hóóg uit. Rond zijn slank-lijnige ommegangen en scherp-afge-hoekte verdiepingen, al smaller de lucht inspitsend, vloeide eindeloos het zomer-hemelblauw, terwijl ondeV zijn ijle klokken-woon het omringende boomgroen laag rond de kruiskerk, lei te zondampen in een soort van schijnsel, dat niet meer zengend neervlamde uit de heet-stikkende lucht. —
De toren spitste slank den hemel in, hoog belicht tegen het gloei-blauw, in zijn grijslila-achtig, rank gesteente. Zijn fijne lijnkanten sneden zich strak-zuiver uit, in de wolkelooze lucht, en de zon fonkelde rond de Amsterdamsche keizerskroon een krans goud-brandende juweelen af. —
Over de Prinsengracht, naar den Haarlemmerdijk toe, wemelde een kleurige volte van schuiten en masten. Het licht-gele en blond-bruine gevlam van roeren en stevens, sloeg een brand van dooréén-gegloeids kleuren uit. Het zonnegoud knabbelde en knetterde brandend heet op de neergezakte beschilderde masten,