321
Het zweet droppelde onder zijn hoed uit op de goud-gezengde komkommers.
Om de markt ziedde het middaggoud, walmden wasem en droog straat-stof. En heel het Noorderplein en de Westerstraat zwijmden in den laaienden zomerdag. Aangeschoten varens-gezellen zeulden in troepjes bijéén; de gistende krioeling van markt-bezoekers werd op zijn hevigst; Jordaan in schroeiende middagzon. —
Het heele stel stond op de brug van de Prinsengracht uit te blazen. Mooie Karei had even geruzied met de Bul en Ko de Neut, — maar het leek weer bijgelegd, — om den kop en schotel, die onder zijn jas gebroken waren, terwijl de Bul zich argeloos tegen hem opsmakte. Lien moest hij sussen in haar smart. De meid had gehuild om die onachtzaamheid en vernedering.
In het gloeiende zomer-goudlicht, lei de Prinsengracht, achter de brug bij den Westertoren, vuur-over-sprankeld. Van het zwaluwblauw-glanzige water dampte een goud-violettige middag-wasem af, óp-zwevend, traag, langs de zon-heete wallekanten tegen de huizen aan. Het wemelde vertier van schuiten, vrachtkarren, menschen en trams; het jakkerde jachtig rond de Westermarkt van Raadhuisstraat, Rozen- en Prinsengracht; van alle snijdende zij grachten en dwarsstraten. De kleurigste menschen-woeling dromde langs de Prinsengracht naar den Jordaan-hoek toe, over de goud-begloeide bruggen en sluizen in de verte, omdompeld in een violettigen goud-gloed, die ophaalbruggetjes, het gekrioel van menschen en wagens bij de Eenhoornsluis, tot een popperig-klein bewegingsspel in zomerbroeiend damplicht verkleinde. Zelfs het fijn-toegespitste lijnenfiguur van de drie torens der Roomsche Lieve Vrouwekerk op den Haarlemmerdijk,
21
De Jordaan