330
— Wèt 'n vent!____zong het in haar. Zoo rap, zoo
kwiek, zoo los en een-en-al leven.... Maar Barend ook; Barend óók, drong ze zich wroegend-zelfver-wijtend op. —
Ze zouden nog even de Prinsengracht afkuieren, werd besloten in strijderig stemmen-gewirwar. Op den Noordermarkt-hoek stonden venters met groentekarren te schreeuwen, elkaar óp te drijven, worstelend met hitte en concurrenten. Boven allen uit schreeuwde een:
— Twei komkommers feur vaaf sint!.... Neim-
mei,.... gèppe mèg je.... as ikke je moar niet snèp____
de duür-tè!.... de duür-tè!
Een goud-belaaide strooienhoed omschaduwde zijn zweetend hoofd. Aan de overzij joeg een concurrent zijn stem door de woeling van menschen, overschreeuwde het gedrang, riep met een kermisHdrift in zijn aanprijzing:
— Reuzegraut!.... reïizegraut! .... ik geif d'r drie feur 'n stuyfer.... drie.... drie!
De goudgele komkommers brandden gloed in de lichtende ruimite. De concurrenten bevochten elkaar met al wilder vent-geroep. Hoorde hij goed? Riep zijn buurman daar drie voor een stuiver?.... God alle-minse...hij maakt de heele boel dood.
— Nou geif ik se feur drie mit 'n tèkkie toe .... drie ..
drie____ drié!.... de duür-tè .... de duürtè!----
Gein reige, gein woater .... gein lucht----de wèrrnte
freit de minse op.... drie!.... drie mit 'n tèkkie! Hij gilde, schreeuwde....
Zoo'n pester! .... vervloekte hij den ander aan d'over-kant. De menschen grabbelden in zijn komkonwner-kar, en bij iederen koop plukte hij onder uit een mand, een takje dragon.
— Drie bei maan buurmèn.... hiér.....drie mit 'n
tèkkie____ruykende flier ....