318
opende zijn groen boezeroen om Bet aan zijn hart te drukken. Barend de Kaffer wou haar in den gloeien-den nek blazen.
— De bloasbèlg fèn 't fort fen Sjekau! .... gierde hij om zijn eigen gevatheidje.
Kris Hardebol, verzwabberd van jenever en hitte, kwam met een vuil handje garnalen onder haar neus, ״omdat er azijn overheen gedruppeld was". Het poli-toerdertje, verhit, brabbelde wat zinnelijke smerigheden af.
— Gaüj dèt op de Seidaak uyt swaan, ès je 't kwaat wil weise, slaume!____sputterde Neeltje Terwee, verontwaardigd en vies van het akelig-magere en zwee-terige Sproetneusje.
— Dèt is nou saufeul as 'n wuifie om bèi te komme ... lachte Bet, terwijl de meiden haar uit den mannenkring los-joelden. —
Karei keek even schichtig naar de dochter van Nel Scheendert. Jonge, jonge! wat was ze mooi die Corry. Nou moest hij wel zijn brandendst begeeren naar die meid weg-leugenen. Zijn woede kon zijn trots niet doorbijten. Ze schertste met de meiden alsof hij niet bestond. Nooit was een vrouw zoo koel en afstootelijk tegen hem geweest. Was hij zoo een groene grasmaaier, zoo een snorkende Janmaat? Aio, dan kietelde ze maar een anderen schaarslijper op. Zijn een zorg! Haar zou hij niet lokken op den lijmstok, met al zijn loszinnigheid.
Bet keek benauwd-verliefd naar Karei, die het grapje met de kerels en lucht-inblazerij begonnen was. Neeltje Terwee werd het wee om het hart van Bet's smeekerig kijken en Lientje huilde inwendig van verbeten jaloezie. Alleen Corry, Corry deed hoog-onverschillig alsof ze niets zag. En toch, het vloekte en gromde ook in haar. Die ellendige kerel, die molenwiek. Dié kneep hij in