316
al met schuld beladen,.... ko,mt tot Hem,.... God's genade wacht wel lang, maar niét altijd ... Ook voorrr u, geliefde hoorrrders.... brrrandt het licht van God's gena.... Haast uuf tot rrrèdding.... van uwe siel.... Er is een deurrr en een weg naar den hè.... mei!....
— As ikke auk is 'n deuntje proate mèg meister.... zei ironisch bedaard een knap-gekleed werkman,.... dèn sou ik de faanigheid fen ufes wel is noader wille besien.... Ikke wès kètteliek,.... moar ikke het saufeulderlaai gehuychel en geknoei onder juilie saurt fèn mense ontmoet....
Een plotselinge hoera-krijsching onderbrak het woord van den debat-lustigen werkman. Een schelle joel van stemmen en een bonkend gemarcheer van duizenden kwam van de Brouwersgracht den preekstoel langs. Allen keerden zich naar den reuzenstoet, joelden en hoera'den mee in schellen zang. Het waren de in potwagens terugkeerende visch-colleges, die met geweldige vlaggen zwaaiend en tierend, traag de massa doorzwenkten en den Jordaan om-en-om reden. De achterste Janplezier was volgepropt met honderd jongens, kleine prijs-hengelaars, opgeleid voor de groote vangst. Uit de Janpleziers, sliertig omhangen met sparrengroen, oranje-sjerpen en papieren blommen, krijschte een oorscheurende hurrie en bonkerde een verwilderd voeten-gestamp. Het was een zittende boerendans, met klompen tegen hout beschut en een joedeling van dronken kelen. Vrouwen en mannen in Zondagsche kleeren, als vijgen op elkaar geperst, vraten gulzig dooreen, hompen leverworst, stoofperen, zuur en scharren. Een dóórrazen de opwinding sloeg de hengelaars óm, in uitzinnige, doldriftige vechtlustigen. Telkens viel er gerucht en getwist te stillen, ging het in snorkend gepoch tegen elkaar óp, tusschen de leden van verschillende vereenigingen. Telkens vermeden