315
gelist, teemend te zalven, tusschen het al luider losbarstend markt-vertier. —
— Als gij freeëde.... soekt.... in uuf harrrt, komt dan hier, naar deze te-e-ent der evelange-e-elie-ver-könnndiging. Wilt gij.... Daniël Korrelbeuk's zende-lings-arbeid steu .... eune.... fer .... sprrreid dan de Blijdê-boèdschap. God's segen sal op uuf arbeid ruste..... O! medebroeders.... en medesusters....
verrrgeet niét.... broeders,____sedert de Heiland ge-
storrrven is, brrrandt de kaars van God's genade. Zij noodigt sondaarrren uit, zich tot God te bekeerrren, om bij Hem vergeving te ontvange.... en al de seeegeninge sijnerr on-ein-di-ge liefde!....
— Loat tie jouw moar 'n nieuwf gepeld aatje thuys-sture.... 'n Kèstaure hoedje hei je fèst fèn naudig.
— Of dof 'm, al hei je hem nie naudig.
—׳ Bekke dicht!.... vloekte een 'kerel die met waterige oogen, waarin godsvrucht zwom, had toegeluisterd, als stond hij voor den preekstoel in de kerk. Een woedend over- en weer-geschreeuw belette den evangelist voort te zalven. Rondom snerpten mirliton-tonen, klonk kelig gezang: doèr-hei-je-Moanus,.... mit se blaute .... koanus .... ; woedde de Hartjesdag-jool in befstelijk krijschend gelal en dronken gehurrie. Rondom kookte en ziedde de zonne-markt met al haar geroep en gewoel. Vlak bij de kerk schetterden twee orgels, elkaar van streek draaiend. En boven op zijn stoel-bank strakte in koeleren schaduw-toon, onder het beschermende boomgroen van de olmen, het bleek-blauwerig uitgeschoren gelaat van den prekenden evangelist, zijn ontsteltenis om zooveel vijandelijken schimp verbergend in een sleeperige zachtheid van stem. Wéér was hij doorgegaan tegèn getier en gejouw in:
— God wacht geduldig.... op uuf — om uuf de genade te bewijzen____Geliefde hoorrrders.....gij zijt