314
gierigheid bekeken. Al de omstanders telden mee, joelden, juichten of sisten. —
Het stilst op de markt lagen nu de uitstallingen op de keien van oude fornuizen, spiegels, speelgoed, strooienhoeden, ijzerwaren en oud-kleer. Een gedempt-zangerig gerucht zong even aan en stierf dan weer uit, in het ratelend markt-geraas. In armelijke koekkramen kon gedobbeld worden om prijzen, terwijl de verloter alarm sloeg met koeken tegen elkaar óp, zijn brulstem opjoeg tot den dobbel.
— Een kans is je leefe niet.... éen kans maarl
Een sarcastisch-snerpende toon zong mee in zijn
standmakerij, terwijl wat zwervende Volendammers den schreeuwleelijk met verbaasde oogen en uitge-zakten mond, aankeken en begaapten.
— Zeumers mö je zonder deke legge, maar mien koëke friete.... deed hij nu boersch, terwijl de Wijd-broeken hem nu nóg minder verstonden.
— Leelijke kromhalze, broek-ape! .... schold hij, als de boertjes met oolijk-geblufte gezichten voort-schoven tusschen de menschen, zonder den dobbel-worp te hebben gedaan. —
De stalletjes met kanarie-fluitertjes, goudvinkjes, puttertjes en groenspechtjes hadden druk bekijk. De beestjes fladderden schrikkerig in hun kooitjes, met de staartjes tegen de traliën op. Ze waren bang voor zooveel. de kooitjes inloerende vreemde tronies.
De zon stoeide met de vogeltjes heur glanzend klee-dijtje, roze vinger-pootjes, en schoot vonken in de donker-karmijnen oogjes; lei een gloed rond de springende lijfjes, die de goudspechtjes vooral tot glans-gloeiende woelwatertjes maakte. Bij de marktpomp, achter de kerk, in koelend schaduw-groen van de plein-boomen, stond op een verhooging, heviglijk gesard door uitdagende schimpwoorden, een vrije evan-