313
proefden, proefden voor niets. Roode, dwars bijéénge-knoopte zakdoeken werden door beverige oude handjes losgepeuterd, ouderwetsche karbies-klepjes opengeschoven. Een uitgehongerde vrouw, met brutaal-ge-meen gezicht, een litteeken over den neus als een roode scheur, knabbelde al drie soorten kaas, zonder dat ze haar zinnigheid op één ervan kon zetten. Zóó had ze bij alle eet-stallen gedaan, en bij alle kaas-verkoopers; en zóó bij alle koek-kramen, de heele markt rond.
— Die freit d'r aage sèt mit proefe, sau'n dauje schol.
— En dit kan Jaap finensel nie laye..... zuchtte
een oud diaken-mannetje, beklemd en lang in zijn groot-modelsche, breede, koper-omrande portemonnai zoekend, om zijn twee-ons-brokje te betalen. —
— De kleur, de geur, de smayk.... ken j'r niet van betale... je ken er de boter uitsuige!.... krijschte Jaap weer, terwijl hij sneed, hompen afhakte, woog in jachtige en beduvelende rapheid van gebaren, zijn helpster vlug liet inpakken en ontvangen.
Zijn uitgedoofd sigaren-endje beet hij al dieper den mond in, dat de asch zijn lippen raakte. Het zweet gudste hem van het hooge voorhoofd, maar hij voelde, zag, hoorde niets; wég in zijn vent-hartstocht, gloeide en wemelde het marktgeraas om hem heen en de menschen zélf dromden voor hem saam, als vliegen op een honingkoek in zon. Tegenover zijn stal pakten troepen bijeen voor een gewone weegschaal van hout, met zware hengsel-gewichten.
— Sta op en laat je wege.... éen cent! .... zong mat de weger, terwijl een groep menschen al voor zijn weegschaal stonden om gewogen te worden. De zinspelingen en spot flonkerden en dartelden, rond zwaarlijvige vrouwen of sprinkhanig-magere mannetjes die op de plank stapten en hun gewicht met bleuige nieuws-