315
tegen de opdringende massa. Een paar Anjelier-straatsche wijven, hadden schijn-ongegeneerd hun rokken laten zakken, om den nieuwe van den stal te kunnen aanpassen. Ze lachten elkaar toe in verdekte schaamte, overmoedig van woord. Een koopman in karpetten en rollen zeil zwaaide een zwarte vlag, zich zelf in den rouw van zware schaduwen dompelend. Met levendige longen-kracht zong Jaapie van Purme-rend, terwijl zijn kraam omdromd stond van koopers en kijkers:
— Hier is Jaapie, Jaa.... pie!! van Purmerend!....
Proef de geur, de kleur,____de smayk.... dat mot je
proefe____Jaa.... pieü staat hier al vijftien jaar----
Ziedaar twintig cent zoete roomkaas----Ziedaar....
'n leijenaartje van gruttemejanus.... als ik maar niet over 'm eige kruike tippel.... Jaa.... pie! Jaa pieü staat hier.... Je hoeft niet bij hem te dinge mense.. *. Jaapie dingt veur zijn eige____
Even knelde hij zijn viezig afgesabbeld sigaren-endje dieper den mond in, en zong weer door:....
.... Se segge .... se segge---- dat Jaapie gèk is ....
Stop je vinger maar es tussche zijn gleuf, zal je wat voele.... Jaapie .... Jaa .... pie!! van Purmerend!!.... Kaaze als 'n maan in de hemel van Sint-Margriet.... staat al vijftien jaar in 't kostelijke Amsterdam dat hier lucht als 'n stilletje.... Jaa.... pie, Jaè.... pie!
Een brouwerij-bierkar bonkerde voorbij en dempte de schreeuw-keel van Japie uit Purmerend. Een paar canaljie-meiden mikten afgekloven pieter-mannen naar Japie's gezicht en scholden walgelijke woorden, tusschen uitwijkenden menschendrom. Maar Japie zag en hoorde niets. Het regende bestellingen. Onder alle kijkers hield Japie uitdeeling. Oude vrouwtjes, tandloos mummelend, weeshuis-mannetjes en diaken-kereltjes met kromme of stugge rugjes, kauwden heit hardst. Ze