3ii
zijner oude vlag bijna op het gezicht van den gewichtigen man uitklopte.
— Hoe heet je? .... vroeg het marktmeestertje den scharren-venter, al kouder en onverschilliger doend onder Kareis luimig-brutaal in-de-maling-nemen.
— Jèn Blautegèt, t... wou je saan 'n bezarretje klinke?____ antwoordde Karei repperig vóór de gevraagde wat kon zeggen. De scharren-venter lachte stiekem, begreep nu dat hij zijn naam niet verklappen moest. De marktmeester trok minachtend zijn schouder op, maar liep toch met zenuw-trekjes in den rug door, onder het strak-dreigend nagekijk van Karei, die woedend begon te worden.
— Sau'n held op haute paute!.... hoonde hij nog na.
Plots begon een kerel met een doedelzak te pieperen.
De muziek juichte in Kareis ooren. Dra stond een kluchtig als Zeeuwsch boerinnetje verkleed jochie, met het bedelnapje voor hem. De oud-bleekblauwe luiken van de Noorderker k vingen de huppel-klankjes van den doedelaar, als een zonnige zotternij tusschen de drukkende stik-hitte. Onder de getraliede kerkvensters, vlak tegen de steenen, vlamde een sikkel-vormig uitgekringde stal van feest-costuums en verkleurde baljaponnen. De koopman zat midden in zijn uitstalling met een bleek-roze, oude parasol boven het hoofd, tegen zon-verschroeiing. Zijde en satijn schoten licht uit, en wiegden glanzen als grabbelende handen van kijkers de costuums omwoelden. Kerels in rood baai slenterden tusschen de doorloopjes en kinderen met bokjes joegen hun kop-trotsche, angstige beestjes het menschen-gewoel in. —
Een oude vrijster in paarse japon stond opgedrukt tegen den balcostuums-stal, doodsbenauwd dat ze wat vlekken op haar kleeren kreeg. Haar geel gezicht, leelijk als van een aap, mopperde woedende zinnetjes