310
hem zag, was ze toch de kluts kwijt, stotterde ze als een kind, op snoepen betrapt. Neen, door de opjagende kwaadaardigheid van hun vrouw-nukken zou hij zich niet laten overrompelen. Ze begonnen nu in zijn kop pas te woelen, de lollige gedachten!
— Ansluyte maade!.... riep hij weer, als een bevel.
— Ansluyte!.... ansluyte!.... riepen ze hem na ....
— Ploas feur 't stoetje fèn Bloanies.... joolde hij er bij.
Daar wurmde Nelis de Pikpot naar voor.
— Neilis, Neilis!... hier binne je broers!... toeterde hij naar den man, die in zijn ouden werkmanskiel kwam aansjokkeren. —
De zon schoot vuur uit over de Noordermarkt. Een verschrompelde vrouw, achter een oud-roest-stalletje, dutte op een stoel, krom-weggezakt, midden in het rumoer. Telkens even schrok ze wakker en riep dan met een kreunend-zwak stemmetje:
— Oud-roest,.. . oud-roest. —
Haar boeltje lag boven een vuil bruin zeil op de keien. Oude slootjes, kromme sleutels, plaatbrokken ijzer, alles in een roest-gloed, door den zonnedamp fluweelig vermooid. Niemand hoorde haar stemmetje, overraasd door de golvende menschenwoeling.
Een scharren-venter was met zijn karretje de markt opgedrongen zonder standplaats-bewijs. De marktmeester vroeg geld, wou hem beboeten. Maar Karei bemoeide er zich mee. Met den ondertoon van zijn mooi-timbreerend geluid, dat altijd even van zijn tenor een bas maakte, als hij om iets aangedaan was, vroeg hij wat dat deerde. Mocht zoo een arme donder vandaag nou niet vrij zijn kostje scharrelen? De marktmeester bekeek hem minachtend, vooral toen Cor de Pet, in een dwaas verlangen om Karei bij te staan, een lomp