308
— Twee cent,.... twee cent, mooie lappe .... twee cent.
De meiden waren tot een grooter groep saamgejoeld. Bet de Slobber, Oranjekers, Lange Mie, Lientje Dekker, die van Neel Burk had vrijgekregen, Malle Mien, Poppentrui en Matje Scheefduim hadden elkaar bij de Lindengracht opgescharreld, door sein-roepen en keelstem-joedelingen. Merk Hoera had Leent je Vier-uur en Mie Plat-op-Plat aan zijn armen meegetrokken en Nakende Kris kwam met Ouwe Droppel door de achterhoede aangesleurd.
— Ansluyte keirels;.... maade!____ ansluyte!----
riep Karei bevelerig, verrukt dat het een echte Jordaan-pan zou worden, zoo groot en ver voor hem uitgolvend, dat hij haast niets meer van de massa kon overzien. Hij hitste gelijkelijk de kerels tegen dwarsboomende politie op. Afgesproken werd door hem, dat ze zich niets zouden laten welgevallen van de klabakken. Die bedel-monniken met helmen op, zouden vandaag een goeie aan hem hebben, bromde hij tot de ״jongens".
Op hun rug zou hij springen als op een paarden-zadel en ze den pit kneuzen tusschen de tangen. Het vuur begon te gloeien in Karei; den roes hoorde hij van verre al ruischen. Hij joeg de kerels óp, begeesterde hun zinnen en wapende ze met overmoed.
En tusschen zijn opwarmende durf-taal onder de kerels, verduikelde hij de stouthartigste boert naar de meiden, door geen angst voor het rumoerig-komende bekneld. Het was weer een-en-al onverschilligheid in Mooie Karei en lokkende aanhaligheid. Tegenover al de meiden had hij weer zijn brutaal-aanrandende overheersching, zijn vleiende innemendheid of de lok-muziek van zijn mooie stem. Naast hém vielen al de kerels af. Hij had een soepelheid van lijf-lijnen, een lenige losheid van bewegen, die hem al dadelijk in de