307
Het vrouwtje, bang voor de dronken kerels, deed tóch dapper toen ze bij de Noorderkerkstraat den helm van een agent zag glinsteren.
— Stik vuilik!
Blinde Janus met zijn rood-bevlekte glazenwas-schersbroek, wou het vrouwtje een trap geven. Maar Karei, opgevroolijkt door het zoopje, hield zijn been vast, ging door, amicaaltjes en vriendelijk.
— Seg maan 't huysnummer moedertje fen je schudde-
gètje____Waffere kant uyt?.... kom ikke pekènt op
f'rsite.... mo-je 'n koppie eiselinnemelk?---- as séi
moar in 't kuypie ploetert.... bin ikke op maan èkkertje!.... Of kèn ikke op maan tengels kluyfe?.... Het vrouwtje draaide hem nijdig den rug toe.
Bram Schuil bedrukte zijn voorhoofds-lok, lachte, terwijl nu al de kerels om de kraam heendrongen. De koopman had er genoeg van, vervloekte de Maandaghouders die allicht zijn heel handeltje met het vrouwtje in de war stuurden. —
— Iz d'r nou veur zukke znotbengels geen ander aaz ob de mart az mijn negozie?.... verweet hij streng. Het was een joden-koopman met een geweldigen neus.
— Seg____bi jèi auk de saun fèn de bisschop fèn
Utrecht?.... lachte Karei spottend, terwijl hfij op koopmannetje's neus wees, die zoo klaarlijk het tegendeel bewees. —
De meiden trokken Karei mee, duwden hem een brok chocola in den mond, en hij, plots, zoende begeerig Heintje Punt's lieve gezichtje vol. —
— Je plèkt me blind.... hijgde ze, genietend van zijn ruwe felheid en mannekracht.
— Pietermènne, minse!.... pietermènne!.... kaak
de kleur en de kwoalitaat an!____schreeuwde een visch-
man, terwijl gedempt er tegenin zeurde, moedeloos verslapt van hitte en uitputting, een lappen-verkooper:
20*