306
Plots schommelde uit het trillend-belichte dwarsstraatje een groote schip-sloep, de boorden omvlagd met rood-wit-blauw, voortgeduwd op een hooge kar. Onder de schittering van blauwen hemel en roode be-dakingen en het pui-gloeien der zonnige huizen, sloeg dit gevaarte als een kleuren-knal door de tierende massa. Midden in het schip stak een geweldige, rauw-geel geverfde schouw-pijp uit, met roode dwarsringen om-schilderd. Een straatorgel met oranje lappen gedrapeerd, joedelde deunen los en matroosjes zwaaiden den zwengel. Een koortsige verblijding gierde óp uit de krioelende menschen-drommen. Twee vrouwelijke matroosjes binnen-boords, zongen met het orgel mee, krijtend-schei, en zwaaiden na ieder wijsje met hun oranje matrozen-petten hoog de lucht in. Dan daverde de brullende massa als bezetenen, terwijl zon de feestersgezichten blakerde en de oogen blind priemde met stralend licht. Van straat tot straat schommelde het schip, telkens gegrepen door den zonne-walm; de vermiljoenen dwars-ringen der rauw-gele pijp bóven de dringende lijven uitgloeiend als een vuur, dat straten ver te zien bleef en zich met den stoet, in den walm traag voortbewoog als een belichte muur-schildering. — Mooie Karei met zijn aangroeienden stoet kerels en meiden, waren van hun ״zoopie" weer naar de markt teruggekeerd. Nu hadden ze de Westerstraat gauw af-gehost om op de Noordermarkt zelf lol te schoppen. Een vrouwtje met verlept gezichtje betastte heel sluwetjes een zinken kuip.
As ik jou wès moeder,____mengde Karei er zich
in,.... kaupe.... feur je dochter,____la-je d'r feur je
fersterf.... kèn se d'raage beswemme.... Heit se de rondighaad hier en de slènkighaad doar?.... vroeg hij, zijn lichaam rupsachtig golvend, om borst en leest zinnelijke gebaren afstrijkend.