301
verwisselend. Het heele stel kerels en meiden dromde nu bijeen, terwijl er gedelibereerd werd, waar ze wat zouden ״innemen". Cor de Pet, Ritsige Arend, Blinde Janus, Zout op de Lip, Barend de Kaffer, Kreupele Jaap, Kris Hardebol, Kees Tweeduim en Ko de Neut, ze drongen bijeen, terwijl Karei streng-grappig inspectie over den troep hield.
Blinde Janus, hinkend naast Platvoet, rimpelde zijn smal-onbebaard gezicht in kronkelige kreuken. Zijn scheele krakoogjes gluurden schichtig naar Karei, wat hij wou. Op zijn witte metselaars-broek had hij menie-vlekken gewreven, die hem bizonder vermaakten. De laatste diamantjes van zijn patroon had hij voor de Hartjes-dag-pret bij Oome Jan gebracht, om te looien, en nu wou hij van niets anders weten dan van drank.
Cor de Pet had zich raar toegetakeld; zijn lange, knoestige lijf, in lompen van een vlag gewikkeld, en met dwarse oranje golf-lijntjes overstreept. Zijn mephisto-achtige, aan twee oorkanten bekwasten kop, leek een wreed-lachend lynx-bakkes, nog wrang verspichtigd door zijn puntige sik. Barend de Kaffer drong zijU schonkig reuzenlijf in het gelid naast Kees Tweeduim. —
— Hoe hèi je 't in de loage weireld?.... vroeg hij medelijdend droef neerkijkend op het dwergkereltje. Alleen Ko de Neut in zijn groen boezeroen en wijde, engelsch-leeren broek, koesterde niets feestelijks in zijn houding. Hij had een gelaat van oolijke dommigheid. Alles keek dom aan zijn gezicht. Zijn dikke neus keek; zijn zwaar-vleezige lippen keken; zijn van de slaapbeenderen ver afgebogen ooren keken. Maar alles, lummelig en dom-zinsgenietend. Naast hem leek Ritsige Arend een jonge, vurige vechter, die slank, lenig sprong als een echt Jordaner, in zijn blauw-laken colbert zonder vest, met blauw-zwarte das en de zee