300
drommedoaris gesneije.... doar freit je je aage paan an! We motte 'n soopie. —
Bram Schuil gannifte een stuk koek uit de roode vingers van Willem, terwijl de Bul kauwde als een hond, tegen wiens gehemelte een brok kruim was geplakt dat hij niet los kon krijgen^ Onder den slenter bliezen en puften de meiden en kerels, met plotse woede in de zweetende gezichten. Een bel bier leek hun nu een gunst-geschenk. Cor vooral, rammelde manlijke lefwoorden uit; en telkens, sneller achtereen, wipte ze haar ruiten rok óp tot de knie, om haar warme, witte handen aan haar kuiten af te strijken. Karei zag het net, vond het schandelijk aanhalig, maar keek toch gretig naar haar mooi been. Annemie knoopte haar rood-zwarten halsdoek los, die haar als een knobbel op den nek was geschoten. Zij stak sjofeltjes af, in haar goor-wit blousje en zwarten onderrok, bij de lichtblauwe blouse van Cor, het groen fluweel van Heintje, en het brons-bruine, strakke, met zwart band vercierde lijfje van Neel Terwee. Maar ze was gaaf in haar bullig-rond gezicht. Haar inééngedrongen, kort en plomp lijfje, met de mollig-uitrondende heupen, bewoog zich in een kluchtige rapheid van bewegingen en haar rood haar gloeide als een koper-rood gietsel in de zon. —
Neel Terwee, wel een hoofd boven Annemie uit-rankend, leek een donsfluweel poppetjes-snuit te hebben naast de pootig-dikke Annemie, die, als ze lachte en sprak, leek te blaffen met haar stem. —
De markt stonk als een zurige mest-stal waar de zon ontbindend op neerbroeide. Het rook naar de vodden en beenderen-loodsen in de Willemstraat, een zoete, verpestende stank. Tusschen het woelend gedrang, dampte en zoog de lucht de zweet-zoetigheid uit en in van duizenden en duizenden, opééngepakt, eikaars adem