294
ruk zijn rood heeren-dasje onder zijn verweekten boord recht-trok.
— Doar.... an de stél fèn de scheirkweste.... kaak, mit Neiltje Terwei en Corry Scheindert.... en....
— Jeisis.... joa! D'rop af.... riep verblijd Karei.
— Haan-tje!____ Haèn-tje!.... hier lènges je
roer rraaèd____we stoan in 't gelid!
Heintje Punt, met Corry Scheendert, Neeltje Terwee, Aaltje van Nelis en Annemie uit de Oranjestraat, hoorden het geschreeuw tusschen het menschengedrang, kregen de jongens in de gaten en zwenkten half cancaneerend, teruggeboft en weer vooruit-gestooten, arm-in-arm gehaakt naar Karei toe.
Mooie Karei jodelde van genot. Daar had je de kostelijke Heintje Punt met haar witte tandjes en haar spitsen neus, waarmee ze zoo guitig kon doen. Als een kalletje liep ze er nu bij, in haar groen-fluweel jak met witte kant omzoomd. Dat stond haar prachtig, keurde Karei snel; dat groen bij haar bleeken snoet. O! als ze danste, danste, had hij die lenige leest, die tengere beweeglijkheid, dat uitdagende in haar houdingen en die fijne voeten van de meid, compleet liéf. Zachtjes bewust van haar zwierigheid was ze voor Karei neergetrippeld, met de rij meiden vast aan haar arm.
— Maade____ dèt hei jullie feur.... zei Karei,....
dèt waaj jullie hiér èl ontmoete____ hei Haan? wèt
hei jèi 'n kwieke krul in je ponny?____
Heintje lachte. Een stiekem uitdenksel van haar zelf voor Hartjesdag.
— F'rdomd, jèi auk Neiltje!.... bracht Karei verbaasd uit, het rijtje afkijkend.
— Nei! moar jèi auk Aal.... en jei!.... en jei....
.... Nou, jèi hepper iedere dèg 'n ander moppie op
je kèstt